De Belgische begroting opnieuw onder druk?
Christofer Govaerts
Sinds midden april staat de Belgische begroting opnieuw in het middelpunt van de belangstelling. Een IMF-rapport bestempelde België immers als de slechtste budgettaire leerling van de eurozone. Bovendien besliste kredietbeoordelaar (KB) Moody’s dat België niet langer een AA-status verdient maar eerder A1. Voor we dieper ingaan op de Belgische begroting, is het nuttig om de werking en reputatie van KB’s onder de loep te nemen.
De essentie:
- Stijgend soeverein risico — Het kredietprofiel van België verzwakt door een hoog begrotingstekort en een ongunstige evolutie van de overheidsschuld.
- Duurdere publieke financiering — Oplopende rentelasten verkleinen de budgettaire ruimte.
- Zwakker dan vergelijkbare landen — In tegenstelling tot de Scandinavische landen beschikt België over beperkte buffers, wat de financiële duurzaamheid op langere termijn onder druk zet.
Het omstreden parcours van KB’s in de 21ste eeuw
KB’s hebben doorgaans geen al te fraaie reputatie, en daar zijn gegronde redenen voor. Ze worden smalend wel eens “de brandweerlui die blussen met kerosine” genoemd. En sinds de aanvang van deze eeuw zijn er talrijke voorbeelden van kritiek. We sommen even de belangrijkste op:
1. Geconcentreerde markt
In de wereld van KB’s kunnen we spreken van een oligopolie met een beperkt aantal spelers die het gros van de markt bestrijken: S&P, Moody’s en Fitch, allen van Amerikaanse origine. Dit leidt tot inertie bij het aanpassen van de ratings. Wat in 2001 met Enron gebeurde, wordt vaak als voorbeeld aangehaald. Menig research paper zet ook geografische verschillen in de verf. KB’s gaan minder snel tot negatieve actie over wanneer het over Amerikaanse emittenten gaat versus Europese emittenten of die van opkomende markten. Iets met twee maten en twee gewichten.
2. Business model
KB’s zijn privé-ondernemingen en er kunnen op verschillende niveaus belangenconflicten optreden. Het business model van KB’s evolueerde stilaan naar meer focus op hogere vergoedingen voor ingewikkelde financiële producten, een win-win voor KB’s en banken in de aanloop naar de financiële crisis. Ingewikkeld verpakte hypotheekproducten kregen toen snel hoge beoordelingen, en financiële instellingen betaalden hier graag aanzienlijke bedragen voor. Zij hadden de ratings immers nodig om deze producten te slijten op de markt, terwijl de KB’s hun winsten zagen exploderen.
3. Interactie met aandeelhouders
Belangenconflicten kunnen ook optreden wanneer belangrijke privéaandeelhouders van een KB zich gaan moeien. Zo werd Warren Buffet in 2009 opgeroepen om te getuigen voor een parlementaire commissie. Buffet was KB-aandeelhouder, maar zijn Berkshire Hathaway investeringsvehikel was tevens een belangrijke eigenaar van Amerikaans schuldpapier. Hij had er dus alle belang bij dat KB’s hun AAA beoordeling voor de VS zouden behouden.
"We kunnen niet ontkennen dat België in moeilijke papieren zit"
Kredietbeoordeling – de Belgische casus 2026 en twee voor twaalf
Los van de kritiek op KB’s kunnen we niet ontkennen dat België in moeilijke papieren zit. Zonder aanzienlijke bijkomende inspanningen zal het begrotingstekort (momenteel 5,2% van het BBP) in de nabije toekomst te hoog blijven en zal de schuldratio t.o.v. het BBP verder verslechteren richting 120% in 2030. Terug naar af dus. Het IMF verwelkomt enkele recente structurele ingrepen (bv op de arbeidsmarkt), maar dringt erop aan dat dit nog maar het begin is van nog meer diepgaande structurele ingrepen. Er is verder weinig budgettaire ruimte.
In 2025 bedroegen de te betalen rentelasten op de uitstaande schuld 14 miljard EUR, en zonder bijkomende ingrepen en met mogelijk stijgende rentes gaat dit bedrag richting 20 miljard EUR. Binnen de begroting dreigen de rentelasten dan ook meer en meer noodzakelijke investeringsprojecten te verdringen bij gebrek aan middelen. Dat is het “crowding out”-effect, dat rampzalig kan werken als er zich een rentesneeuwbal ontwikkelt. (Japan kampt momenteel met hetzelfde probleem.)
De markten blijven voorlopig rustig, aangezien Fitch en Moody’s de Belgische staatsschuld al enige tijd op een “negatieve outlook” hadden gezet. De beslissing om de schuld uiteindelijk neerwaarts te beoordelen is geen verrassing en was in zekere mate al in de prijszetting van onze schuld verrekend. Zolang we nog van A-status mogen genieten, valt het mee en betalen we ongeveer 0,5% meer dan Duitsland. Zakken we echter nog drie stapjes, en belanden we in het B-segment (BBB), dan kan de risicopremie verder stijgen naar 1%, wat het “crowding effect” nog meer versterkt.
Voor de belastingbetaler houdt dit in dat hij minder krijgt voor dezelfde (of hogere) belastingbijdrage die hij of zij betaalt. De graduele verdere afbouw van de welvaartstaat is daarmee dus een feit.
Nawoord
Men kan zich terecht afvragen hoe we op dit punt zijn geraakt. Er verzachtende argumenten, zoals het moeilijke politieke federale stelsel, wat van België een buitenbeentje maakt. Of dat bijvoorbeeld COVID een aanzienlijk gat in de staatsfinanciën heeft geslagen.
Wat de politiek betreft, kunnen we niet naast het feit dat er sinds het crisisplan Dehaene I en II (1993) weinig aanzienlijke ingrepen zijn gedaan om de openbare financiën verder te optimaliseren. De geschiedenis leert ons dat het tussentijds vaak knip- en plakwerk was, zonder een langetermijnvisie.
COVID heeft weliswaar pijn gedaan, maar dat was elders ook het geval en voor bepaalde lidstaten leidde dit hoegenaamd geen fiscaal drama in. De reden is uiteraard dat de uitgangspositie van hun begroting begin 2020 veel beter was dan de onze.
In mei 2024 kaderde ik deze problematiek overigens wat breder op Beursduivel.
Het komt er eigenlijk op neer dat wanneer de welvaartstaat in gevaar komt en we ze willlen verzekeren voor toekomstige generaties, we tijdig moeten ingrijpen. We moeten daarbij fiscale buffers inbouwen, zodat we ons “accidents de parcours” fiscaal kunnen veroorloven. In het artikel verwijs ik naar Zweden en Denemarken, landen met een huidig zelfde staatsbeslag als België in termen van uitgaven en belastingen als % van het BBP (± 50%).
Deze landen hebben naar aanleiding van de vastgoed- en bankencrisis begin jaren ‘90 van vorige eeuw deze oefening tijdig gemaakt. Het resultaat is dat hun huidige begroting jaarlijks redelijk sluitend is (afwisselend licht tekort of overschot) terwijl hun schuldratio ongeveer 40% bedraagt. De ironie hier is dat deze landen bewust niet gekozen hebben om deel te nemen aan de éénheidsmunt terwijl ze op papier sinds 1999 de enige Europese landen zijn die de Maastricht-norm halen om deel te nemen.
België had in 1993 Dehaene nodig om te verzekeren dat we in 1999 aan de start van EMU mochten verschijnen. Zweden en Denemarken deden die oefening grondig uit eigen beweging, zonder de externe stok achter de deur.
Dit is trouwens ook een leidraad doorheen de geschiedenis van ons land: indien er geen externe stok aanwezig is, gebeurt er structureel weinig omdat er heel wat politieke en institutionele obstakels zijn. Tenslotte hebben naast België ook andere landen – bv Frankrijk – zich sinds 1999 kunnen verschuilen onder de gezamenlijke EMU-paraplu zonder aanzienlijke structurele acties te ondernemen. Dat wreekt zich nu. Erger nog, we hadden dit kunnen vermijden.
Gerelateerde artikels
Nagelmackers versterkt haar discretionair portefeuillebeheer met DNCA Finance
Persartikels, Persberichten en Nieuws
Nieuws
Nagelmackers versterkt haar discretionair portefeuillebeheer met DNCA Finance
Fietsen om kanker uit de wereld te helpen
Persartikels, Persberichten en Nieuws
Artikel
Fietsen om kanker uit de wereld te helpen
Het pad naar de top is zelden een rechte lijn
Persartikels, Persberichten en Nieuws
Artikel